
Beste mensen,
We zijn hier vandaag samengekomen om stil te staan bij een van de donkerste dagen in de geschiedenis van de mensheid: 6 augustus 1945 de dag waarop de eerste atoombom ooit op een stad werd gegooid, op Hiroshima. Drie dagen later volgde Nagasaki. Meer dan 200.000 mensen verloren hun leven, onmiddellijk of in de maanden en jaren daarna.
Achter deze immense aantallen schuilen evenzoveel individuele levens, met namen, gezichten, verhalen. Vandaag wil ik u meenemen in het levensverhaal van één van hen. Een man die het wonderbaarlijk genoeg overleefde. Een man van wie het leven voorgoed getekend werd door de hel van oorlog, gevangenschap en de atoombom. Zijn naam was Everhard Schouten, mijn vader, maar de meesten noemden hem Eef.
Eef werd geboren op 19 september 1922 in Semarang, op het Indonesische eiland Java. Hij was het oudste kind in een gezin van negen. Zijn vader was kapitein in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het KNIL. Het gezin woonde vlak naast de kazerne, en leidde een comfortabel leven. Eef groeide op in een warme en beschermde omgeving. Maar het leven, zoals dat vaak gaat, sloeg een totaal andere weg in. In 1941, Eef was toen 19 jaar oud, meldde hij zich aan bij het KNIL. Kort daarna brak de oorlog in de regio uit, en werd hij in een militair uniform de loopgraven rondom Bandoeng ingestuurd, klaar om de stad te verdedigen tegen een opmars van het Japanse leger.
Toen Nederlands-Indië in 1942 capituleerde, viel het doek voor zijn eenheid. In 1943 werd hij, toen 21 jaar oud, krijgsgevangen genomen. Samen met duizenden anderen werd hij op transport gezet naar Japan, in wat bekend zou komen te staan als de ‘Hell Ships’. De naam is geen overdrijving: verstikkende hitte, geen water, nauwelijks voedsel, en doodzieke mannen die stierven, opeengestapeld waar ze zaten. Dit was zijn helse overtocht naar Japan.
Eenmaal daar werd Eef tewerkgesteld als dwangarbeider op de Mitsubishi-scheepswerven in Nagasaki. De omstandigheden waren onvoorstelbaar wreed. Honger, uitputting, mishandeling. Eef zag dingen die niemand zou moeten zien. Kameraden die werden gemarteld. Elke dag overleven was een wonder.
En toen, op 9 augustus 1945, gebeurde het ondenkbare. Op dat moment was Eef aan het werk in een loopgraaftunnel, ongeveer 1800 meter van het hypocentrum verwijderd. Hij zag het vliegtuig, daarna een felle lichtflits, feller dan alles wat hij ooit had gezien. De atoombom ontplofte. Een gigantische klap volgde. Alles werd zwart en hij raakte bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, kroop hij uit de tunnel en zag dat heel Nagasaki in brand stond. De hitte was intens, de lucht rood, de aarde zwartgeblakerd. Zover zijn ogen reikten zag hij de doden, de verminkten, de verwoesting. Gebouwen waren verdwenen. De stad was veranderd in een hel op aarde. Te midden van deze chaos sloeg hij op de vlucht, samen met medegevangenen, kampbewakers en burgers. Onderweg zag hij een zwaargewonde Japanse vrouw, kreupel, verbrand. Hij tilde haar op zijn rug en droeg haar met zich mee, de heuvels van Nagasaki in, op zoek naar veiligheid. Drie dagen en nachten brandde de stad.
Niet lang daarna gaf Japan zich over. Eef werd bevrijd. De Amerikanen brachten hem naar Manilla, en van daaruit kon hij terugkeren naar Nederlands-Indië. Tot zijn enorme opluchting bleken ook zijn ouders en broers en zussen de oorlog te hebben overleefd, een wonder, gezien zij verspreid zaten in verschillende interneringskampen. In Singapore werd het gezin weer herenigd met mijn opa die uit Birma kwam. Maar de rust was van korte duur. In Nederlands-Indië laaide een nieuwe strijd op: die om onafhankelijkheid. Nederland weigerde zich neer te leggen bij de nieuwe realiteit. In 1947 werd Eef als KNIL-militair opnieuw ingezet, ditmaal in Zuid-Celebes, als privéchauffeur van de beruchte kapitein Raymond Westerling.
Wat hij daar meemaakte, stond opnieuw haaks op alles waarin hij geloofde. Executies. Wreedheid. Angst. Na een zoveelste onrecht vroeg hij overplaatsing aan. Eef wilde geen deel meer zijn van oorlog. Niet langer bijdragen aan onderdrukking of geweld. Kort daarop verhuisde het gezin naar Nederland. Toen Eef uiteindelijk terugkeerde naar het burgerleven, nam hij zijn trauma’s zijn hele leven met zich mee. Hij had nachtmerries. Werd badend in het zweet wakker, soms gillend. Dan stond mijn moeder Rosa op, liep met hem door de nacht tot de rust terugkeerde. Ze verschoonde het bed, zette thee, en pas dan kon hij weer slapen. En elke ochtend, alsof er niets aan de hand was, stond hij op, maakte ontbijt voor hun vijf kinderen en fietste naar zijn werk.
Wat betekent het, om zo’n leven te leiden? Om te overleven en dan toch levenslang de last te dragen van wat je hebt gezien? Mijn vader was een van de overlevenden van de atoombom op Nagasaki. Maar hij was ook een van de velen die nooit echt zijn teruggekeerd uit de oorlog. Zijn verhaal is er een van moed, van menselijkheid, maar ook van diepe littekens.
Als wij hier vandaag stilstaan bij het vallen van de atoombom op Hiroshima en Nagasaki dan herdenken we niet alleen de slachtoffers van deze immense tragedie. We herdenken ook de overlevenden. Zij die een leven lang de trauma’s van de atoombom met zich meedroegen. Zoals mijn vader. De geschiedenis roept ons op tot waakzaamheid. Tot compassie. Tot herinneren. Want zolang wij deze verhalen blijven vertellen, geven wij het leed een stem, en houden we de hoop levend dat zoiets nooit meer gebeurt.
Moge de herinnering aan mijn vader, en aan allen die geleden hebben onder oorlog en geweld, ons blijven inspireren om te kiezen voor de dialoog, voor vrijheid, voor vriendschap en voor vrede. Altijd weer.
Dank u wel.


